Nieuwsberichten

Rinnooy Kan, instelling Commissie Leraren

Datum: 18 juni 2007
Betreft: reactie van Platform VVVO op instelling Commissie Leraren

Geachte heer Rinnooy Kan,
In een schrijven van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap concludeert deze dat voor het lerarenbeleid de komende jaren de aanpak van het lerarentekort en de positie en kwaliteit van de leraar centraal moeten komen te staan. De minister heeft, naar wij begrepen, uw commissie ingesteld om zich over de uitwerking van deze onderwerpen te laten adviseren. Het Platform van Vakinhoudelijke Verenigingen in het Voortgezet Onderwijs is verheugd dat op deze wijze de kwaliteit van de leraar in de aandacht komt te staan, in een tijd waarin de beeldvorming over het leraarschap in de media vaak in strijd is met wat docenten zelf als hun werkelijkheid ervaren. Het Platform ondersteunt de werkzaamheden van uw commissie dan ook van harte.

Omdat het Platform en de daarbij aangesloten vakinhoudelijke verenigingen tot op heden een belangrijke rol hebben gespeeld bij de verbetering van de kwaliteit van de leraar, vinden wij het van groot belang dat uw commissie op de hoogte is van wat wij daartoe ondernomen hebben en van plan zijn.

Het Platform VVVO is, zoals u waarschijnlijk al weet, een koepelorganisatie en fungeert als gezamenlijke spreekbuis en aanspreekpunt voor alle 26 aangesloten verenigingen. Het voornaamste doel is de invloed van deze verenigingen te versterken en daarmee de positie van de docent op de werkvloer. Daarbij beperkt het Platform zich tot vakoverstijgende kwesties. Vakspecifieke belangen worden uiteraard door de vakinhoudelijke verenigingen zelf behartigd. Meer informatie over het Platform en de vakinhoudelijke verenigingen vindt u op onze website: www.platformvvvo.nl

Wij zijn ervan overtuigd dat Platform en vakinhoudelijke verenigingen een sleutelpositie innemen bij de verbetering van de kwaliteit van de vakinhouden in het voortgezet onderwijs en de professionalisering van de daarbij betrokken docenten. Dat gebeurt op drie manieren: door ondersteuning, deskundigheidsbevordering en belangenbehartiging van onze leden. U kunt op onze website lezen welk actieplan het Platform daartoe ontwikkeld heeft.

De vakinhoudelijke organisaties zijn de belangrijkste organisaties waarin docenten zich verenigd hebben, als het gaat om de inhoud van hun vak. Het Platform laat de gezamenlijke stem van deze vakverenigingen hierover op verschillende podia horen. Die stem zegt luid en duidelijk: de discussie over de kwaliteit van de vakinhouden moet bovenaan op de agenda komen te staan. Het zou goed zijn als de overheid daarvan doordrongen raakt en uw commissie zich dat realiseert, als het de Regering adviseert over het opstellen van een actieplan voor de verbetering van de kwaliteit van de leraar.

Financiele ondersteuning van de activiteiten van Platform en aangesloten vakverenigingen is daarbij voor organisaties die voor een belangrijk deel van hun werkzaamheden afhankelijk zijn van vrijwilligers, van groot belang. Wij hebben al eerder en vaker erop gewezen dat het hoog tijd wordt dat bestuursleden die hun werk voor Platform en vakverenigingen in eigen tijd verrichten, door de overheid daarvoor gefaciliteerd worden.

De overheid zou zich ook moeten realiseren dat Platform en aangesloten vakverenigingen bij verdere vernieuwingen in het onderwijs vaste gesprekspartners dienen te zijn, die in alle fasen van de besluitvorming serieus genomen dienen te worden. Bij beleidsrondes van Regering en Kamer en hoorzittingen over het voorgezet onderwijs zou het vanzelfsprekend moeten zijn dat vakdocenten en hun vakinhoudelijke organisaties gehoord worden. In door de overheid ingestelde commissies, zoals recentelijk de Profielcommissies en uw eigen commissie, zouden ook vakdocenten en hun vakinhoudelijke verenigingen (c.q. het Platform) vertegenwoordigd moeten zijn.

Professionalisering van onze leden via studiemiddagen en congressen van de eigen vakvereniging of van andere instellingen zouden door de overheid als een onlosmakelijk deel van de leraarstaak moeten worden gezien, dat niet in het gedrang dient te komen door discussies over onderwijstijd.

Gezien de spilfunctie die de vakinhoudelijke verenigingen innemen bij de verbetering van de kwaliteit van het onderwijs, verwacht het bestuur van het Platform dat u het de gelegenheid biedt het bovenstaande toe te lichten.

Dijsselbloem, onderwijsvernieuwingen

Datum: 15 juni 2007
Betreft: rol van de vakinhoudelijke verenigingen bij de onderwijsvernieuwingen

Geachte heer Dijsselbloem,
Naar wij begrepen hebben doet uw commissie onderzoek naar de manier waarop het afgelopen decennium de politieke besluitvorming over vernieuwingen in het onderwijs tot stand is gekomen. Zij kijkt daarbij in het bijzonder naar de gang van zaken rondom de invoering van de basisvorming, de tweede fase en het vmbo en wil daaruit lessen trekken voor de toekomst. Het Platform van Vakinhoudelijke Verenigingen in het Voortgezet Onderwijs ondersteunt het werk van uw commissie van harte.

Het Platform VVVO is, zoals u waarschijnlijk al weet, een koepelorganisatie en fungeert als gezamenlijke spreekbuis en aanspreekpunt voor alle 26 aangesloten verenigingen. Het voornaamste doel is de invloed van deze verenigingen te versterken. Daarbij beperkt het Platform zich tot vakoverstijgende kwesties. Vakspecifieke belangen worden uiteraard door de vakinhoudelijke verenigingen zelf behartigd. Meer informatie over het Platform en de vakinhoudelijke verenigingen vindt u op onze website: www.platformvvvo.nl

Toen de genoemde onderwijsvernieuwingen in de jaren negentig werden doorgevoerd, hebben de vakinhoudelijke verenigingen op verschillende momenten gezamenlijk maar ook afzonderlijk hun standpunten kenbaar gemaakt aan Regering en Kamer.

Soms waren de pleidooien vanuit de vakinhoudelijke verenigingen noodgedwongen tegenstrijdig: tegemoetkoming aan de argumenten van de ene vakinhoudelijke vereniging kan ten koste gaan van de ruimte die aan andere vakken wordt geboden.

Steeds heeft echter bij de vakinhoudelijke verenigingen het belang van de vakinhouden voor de leerlingen en voor hun kansen in het vervolgonderwijs, op de arbeidsmarkt en in de maatschappij vooropgestaan. Ze zijn daarom b.v. nooit gekant geweest tegen vormen van vakoverstijgende aanpak, maar hebben wel steeds benadrukt dat juist voor een dergelijke aanpak gekwalificeerde vakdocenten nodig zijn.

Afgezien van de vaak plezierige en zinvolle vormen van overleg die het Platform of de vakinhoudelijke verenigingen tijdens het bovengenoemde vernieuwingsproces met diverse instellingen hebben gehad, moeten we over de afgelopen periode toch de volgende tekortkomingen in het overheidsoptreden constateren:

  • Soms trad de overheid wel in contact met schoolbesturen en -managers, met onderwijsbonden en diverse onderwijsondersteunende instellingen, maar nu juist niet met de docenten en hun vakinhoudelijke organisaties. Maar al te vaak werden er commissies ingesteld waarin nauwelijks of geen docenten vertegenwoordigd waren: de mensen die met hun voeten in de klei van de dagelijkse lespraktijk staan en weten waarover ze het hebben. Ministers beweren dan al gauw dat het veld is geraadpleegd, maar u moet goed beseffen dat overleg met onderwijsbonden of schoolleiders, tegenwoordig verenigd in een organisatie die zich de VO-raad noemt maar slechts managers en besturen vertegenwoordigt, iets anders is dan overleg met het hele onderwijsveld. In de vakinhoudelijke verenigingen zijn de docenten vertegenwoordigd die de spil vormen in het proces van kwaliteitsverbetering van vakinhouden.
  • Het kwam wel voor dat de docenten en hun organisaties in een bepaald stadium wel gehoord werden en dat op basis daarvan op ambtelijk niveau voorstellen waren ontwikkeld, maar dan werden deze soms ingrijpend gewijzigd, omdat de politiek een andere kant uit wilde, zonder dat de docenten en hun vakinhoudelijke verenigingen nog gelegenheid kregen om hun bedenkingen tegen deze veranderingen kenbaar te maken.
  • Herhaaldelijk hebben Platform en vakinhoudelijke verenigingen er bij de overheid op aangedrongen tijdig ingelicht te worden over de invoering van nieuwe vakinhoudelijke veranderingen om de achterban op een adequate wijze in te lichten of te consulteren. Vaak gebeurde dat te laat of helemaal niet.

In het bestek van deze brief moeten wij met deze kritiek volstaan. Uiteraard zijn wij ten volle bereid het een en ander voor uw commissie te komen toelichten.

Het Platform en de daarbij aangesloten verenigingen gaan ervan uit dat uit de gemaakte fouten lessen getrokken zullen worden en dat de overheid in de toekomst docenten en hun organisaties niet opnieuw passeren of te laat op de hoogte stellen. Wij vinden het een vanzelfsprekende zaak dat de overheid in alle stadia van de besluitvorming het Platform en vakinhoudelijke verenigingen als een vaste gesprekspartner beschouwen waar het gaat om inhoudelijke vernieuwingen in het voortgezet onderwijs. Het zou goed zijn als u deze overweging wilt betrekken bij het advies dat uw commissie na de zomervakantie aan de Kamer zal uitbrengen.

Onderwijstijd

Datum: 19 april 2007
Betreft: gevolgen invulling onderwijstijd door scholen voor professionalisering docenten

Geachte mevrouw Bijsterveld,
Met ingang van dit schooljaar zijn voor het voortgezet onderwijs een nieuwe norm en definitie van onderwijstijd vastgesteld. Scholen zijn op dit moment druk bezig om -indien nodig- wijzigingen door te voeren in de organisatie van het onderwijs en van de school om te voldoen aan de wettelijk normen.
CNV Onderwijs heeft in een brief aan u al haar bezorgdheid geuit over de gevolgen daarvan voor de werkdruk van het onderwijspersoneel.

Het Platform VVVO (Vakinhoudelijke Verenigingen Voortgezet Onderwijs) wil u nadrukkelijk wijzen op een ander nadelig gevolg.
De verschillende bij het Platform aangesloten vakverenigingen horen van hun leden, de vakdocenten, verontrustende signalen dat docenten niet meer of slechts zeer beperkt in staat worden gesteld zich te professionaliseren en nascholing te volgen. Dit betreft nascholing op vakinhoudelijk en didactisch gebied.
In de taakomschrijving van docenten is opgenomen dat (na)scholing deel uitmaakt van het takenpakket. Scholen zijn echter steeds minder bereid om docenten gelegenheid te geven om daadwerkelijk deze nascholing  te volgen. Vaak wordt als argument gebruikt dat dit ten koste zou gaan van de onderwijstaak, zeker als het scholing betreft die tijdens lestijd wordt gevolgd.
De vakverenigingen zijn verontrust omdat het belemmeren van mogelijkheden voor professionalisering onherroepelijk leidt tot kwaliteitsverlies in het onderwijs: verlies van kwaliteit van docenten en ook verlies van kwaliteit van het onderwijs aan de leerlingen.

Eén van de maatregelen om het beroep van leraar aantrekkelijker te maken is het verlagen van de werkdruk. Een andere mogelijkheid is docenten ruim de gelegenheid te geven zich bij te scholen om  zo in staat te zijn te voldoen aan de steeds veranderende eisen die het beroep van docent stelt.
Door de wijze waarop het beleid rond de uren norm nu wordt geïnterpreteerd neemt de werkdruk toe en wordt het beroep niet uitdagender.
Naar onze overtuiging kan dat niet de bedoeling zijn.
Het Platform VVVO acht het van groot belang deze effecten onder uw aandacht te brengen.

Het Platform VVVO is van harte bereid om mee te denken en mee te werken aan het realiseren van een zodanige invulling van de onderwijstijd, dat deze ten goede komt aan de kwaliteit van het onderwijs.

Graag zien wij uw reactie tegemoet.

Wijziging structuur vaksecties CEVO

Datum: 14 juni 2005
Betreft: wijziging structuur vaksecties CEVO

Geacht bestuur,
Hierbij willen we onze bezorgdheid uitspreken over de voorgenomen aanpassing van de samenstelling van de CEVO-vaksecties. Donderdag 9 juni jl. gaven de heren Bouwsma en Melissen hierover uitleg in onze platformvergadering.
De vaksecties van de CEVO zouden bij deze aanpassing, naast de voorzitter uit het naast hoger gelegen onderwijs, slechts bestaan uit een vertegenwoordiger vanuit de onderwijsvakorganisaties. De vertegenwoordigers uit het voortgezet onderwijs, die zijn aangedragen door de vakinhoudelijke verenigingen, zouden een plaats moeten krijgen bij de constructiegroepen van het Cito.
Wij begrepen dat deze structuurwijziging was ingegeven door het streven een einde te maken aan een inefficiënte wijze van werken en een vermenging van rollen: de vaksecties van de CEVO zouden zich niet beperken tot het geven van de opdracht aan het Cito en tot de definitieve vaststelling van de examens, maar zich ook bemoeien met de constructie ervan.
Het is voor ons de vraag of deze vorm van samenwerking en overleg niet juist ten goede komt aan de kwaliteit van de examens. Het tegendeel zou eerst aangetoond moeten worden. Als dan toch besloten zou moeten worden tot een duidelijke scheiding tussen de opdrachtgevers en de constructeurs, denken wij echter dat er dan veeleer iets in de cultuur van de vaksecties van de CEVO gewijzigd zou moeten worden en niet per se in de structuur ervan.
Het is opmerkelijk dat juist de vertegenwoordigers uit het voortgezet onderwijs in de vaksecties van de CEVO, die zijn aangedragen door de vakinhoudelijke verenigingen, in deze wijziging het veld moeten ruimen. Juist door hun vakinhoudelijke expertise zijn de vertegenwoordigers van de vakinhoudelijke verenigingen bij uitstek degenen die in staat zijn de juiste opdracht te geven en de eindverantwoordelijkheid voor de definitieve vaststelling van de examens mede op zich te nemen. De onderwijsvakorganisaties zijn niet op basis van vakinhoudelijke motieven georganiseerd, waardoor hun vertegenwoordigers niet per definitie borg kunnen staan voor een vakinhoudelijk verantwoorde vaststelling van de examens, ook al is het denkbaar dat sommigen onder hen wel over de nodige expertise beschikken.
Met het oog op het creëren van draagvlak in het onderwijsveld lijkt het ons onverstandig het lijntje met de vakmensen op deze wijze door te snijden. Natuurlijk blijft bij de voorgestelde structuur-wijziging de bemoeienis met het construeren van de examens (Cito) wel bestaan, maar vaststellen en mede verantwoording dragen is toch wat anders. Bovendien mist een lid van de constructiegroepen door geheimhoudingsvoorwaarden voor verenigingen de slagkracht die een lid van de vaksecties wel behoudt.

De vakinhoudelijke verenigingen waren enigszins teleurgesteld te vernemen dat u, als bestuur van CEVO, bovenstaande al had besloten alvorens de betrokken verenigingen erover te consulteren.
Uit de reacties van de heren Bouwsma en Melissen menen wij te mogen opmaken dat deze besluitvorming nog niet definitief is. Wij hopen van harte dat over de voorgenomen structuur-wijziging nog een vervolggesprek mogelijk is.

Open brief onderwijspersoneel

Datum: 31 maart 2005
Betreft: onderwijspersoneel wil voortouw in kennissamenleving

Geachte mevrouw Van der Hoeven,
Regelmatig voeren wij met u overleg over wijzigingen in het Nederlandse onderwijs en over de positie van de werkenden daarbinnen. Wij kennen uw belangstelling voor de kwaliteit van de beroepsbeoefenaren in het onderwijs. Daarom bepleiten wij extra aandacht op korte termijn voor de rol van die beroepsgroep in de kennissamenleving. Uw uitspraak vanochtend dat een belangrijke investering zal worden gedaan in de universiteiten en hogescholen is voor ons aanleiding de dialoog over de leraar en ander onderwijspersoneel te intensiveren. Onderwijs is een kennisintensieve sector, en investeren in personeel is investeren in de leerling. Dat vinden wij niet alleen, maar ook beleidsonderzoekers en politici. We noemen twee voorbeelden.
– De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid pleit in “Bewijzen van goede dienstverlening” (2004) voor de versterking van de positie en mogelijkheden van de professionals in onder meer het onderwijs. Die professionals weten welke innovaties en kwaliteitsverbeteringen mogelijk zijn en bovendien zijn ze in staat die snel en daadwerkelijk in de praktijk toe te passen. De organisaties in de onderwijsbranche kunnen een bijdrage leveren aan het doorbreken van het wantrouwen dat speelt in de relatie tussen overheid en veld. De WRR pleit onzes inziens terecht voor variatie in werk, voor innovatieve praktijk, voor het organiseren van de aanwezige kennis.
– De onderwijsministers van 25 landen (waaronder ook Nederland) onderschrijven het OECD-rapport “Teachers matter” (2004). De aantrekkelijkheid van het werken in het onderwijs, het stimuleren van de professionele ontwikkeling van leraren, het zorgdragen voor het vasthouden van effectieve leraren in het onderwijs staan in dat rapport centraal. Die aandachtspunten worden ook geconcretiseerd in voorgestelde gevolgen voor het beleid.
Wij vinden dat dergelijke studies niet lang zonder gevolgen mogen blijven. Afwachten op welk moment het onderwijs kan worden verbeterd, kan niet aan de orde zijn. Generatie op generatie is afhankelijk van goed onderwijs. Daarom moet het vliegwiel van het onderwijs nu op een hoger toerental worden gebracht.
Bovendien: als leraren voortdurend aan hun professionele ontwikkeling werken, is dat ook het beste voorbeeld voor onderwijsdeelnemers om een leven lang te blijven leren.
Onze organisaties willen zich inzetten voor het betrekken van leraren bij het ontwikkelen en invoeren van beleid, voor het ontwikkelen van leergemeenschappen van kenniswerkers, voor het bezielen en het professionaliseren van gekwalificeerd onderwijspersoneel. Daar moet iets tegenover staan, niet primair voor organisaties – maar voor werkenden: de aantrekkelijkheid van het beroep moet worden gezien, de mogelijkheden voor professionele ontplooiing binnen scholen, er moet oog zijn voor talenten en verschillen, voor ondersteuning bij het doen van ontwikkelingsonderzoek binnen de school, voor professionele autonomie en goede werkcondities.
Wij bieden aan ons daarvoor in te zetten en roepen u op tot spoedig en concreet overleg over een nieuw elan voor de werkenden in het Nederlandse onderwijs.

Met vriendelijke groet,
Walter Dresscher voorzitter Algemene Onderwijsbond
Marleen Barth voorzitter Onderwijsbond CNV
Harry Evers voorzitter Onderwijsbonden CMHF/MHP
Dirk Speelman voorzitter Platform Vakinhoudelijke Verenigingen VO
Annet Kil-Albersen voorzitter Stichting Beroepskwaliteit Leraren en ander onderwijspersoneel
Aob, Onderwijsbond CNV en Onderwijsbonden CMHF

Condoleance Hans van Wieren

Datum: 15 januari 2004
Betreft: Condoleance Hans van Wieren

Directie, leerkrachten, medewerkers en leerlingen van het Terra College,
Met ontsteltenis heeft het Platform VVVO kennisgenomen van het schietincident van 13 januari op het Terra College, dat de dood van Hans van Wieren tot gevolg had. Scholen zijn bedoeld als veilige en vertouwde leeromgeving voor leerlingen en onderwijspersoneel. Helaas maakt deze gebeurtenis duidelijk dat ook binnen een schoolomgeving een mens een ander mens iets verschrikkelijks kan aandoen. Wij voelen mee met de familie van Hans van Wieren en de collega’s, medewerkers en leerlingen van het Terra College.
Platform VVVO en de aangesloten Vakinhoudelijke Verenigingen in het Voortgezet Onderwijs

(deze condoleance is gestuurd naar de rector van het Terra College en geplaatst in het on line register als nummer 11550)

Vakdossiers vmbo

Datum: 19 november 2003
Betreft: vakdossiers vmbo

Geachte heer Kluvers,
Uw brief van 14 juli 2003 (kenmerk: VO/2101.002/B/03-107) aangaande het project ‘vakdossiers vmbo’ is tijdens onze platformvergadering uitgebreid besproken.
Het Platform VVVO is verheugd betrokken te worden bij het proces van totstandkoming van de vakdossiers. Toch een aantal kritische kant-tekeningen.
Zaken die inhoudelijk vakken in het vmbo betreffen zullen vanzelf-sprekend door de aangesloten vakinhoudelijke verenigingen worden afgehandeld. Het Platform zelf doet dienst als doorgeefluik. Dit geldt dus ook voor de (inhoudelijke) legitimering van een vakdossier.
Daarnaast is het Platform van mening dat de opzet en de tijds-investering die voorgesteld worden geen garantie zijn voor een goede kwaliteit. De vergadering pleit voor een realistische planning en grote zorgvuldigheid.

Kwalificatiestructuur

Datum: 13 oktober 2003
Betreft: kwalificatiestructuur
Geachte mevrouw Van der Hoeven,

In het bestuurlijk overleg arbeidsmarkt en personeelsbeleid van 18 september 2003 legde u een aantal beleidsvoornemens voor m.b.t. een kwalificatiestructuur voor de beroepen in het onderwijs. Bij die gelegenheid is afgesproken dat de organisaties die in het bestuurlijk overleg vertegenwoordigd waren een (nader) standpunt zouden bepalen over de voorgelegde beleidslijnen.
Het bestuur van SBL komt op basis van hoofdstuk 2 van uw concept-notitie tot de volgende opvattingen op hoofdlijnen.
1. Wij onderschrijven graag de eisen die u formuleert waaraan een kwalificatiestructuur moet voldoen: draagvlak hebben, duurzaam zijn, flexibel zijn en beleidsruimte bieden, een integrale benadering mogelijk maken van de kwalificaties voor onderwijsberoepen.
2. Onderschreven wordt dat SBL bereid en in staat is om in een interactief proces met de beroepsgroep de bekwaamheidseisen te formuleren voor het leraarschap en andere onderwijsberoepen, en die eisen aan de minister van OCW voor te leggen voor vaststelling.
3. De gedachte dat in een platform diverse partijen met elkaar spreken over de ontwikkelingen in het onderwijs en de gevolgen daarvan voor de kwalificatiestructuur spreekt ons aan. Het is van belang dat in een gremium de gezamenlijke verantwoordelijkheid wordt belegd voor de kwaliteit van de beroepsuitoefening in het onderwijs én aan de centrale rol die de werknemers in het primaire proces – de leraar, de onderwijsassistent, de schoolleider – spelen ten aanzien van de kwaliteit van de beroepsuitoefening.
4. Over de structuur waarin de betrokken actoren die opdracht zouden moeten realiseren, lopen de meningen in het bestuur van SBL uiteen. Gezien de samenstelling van het bestuur (3 onderwijsvakorganisaties, 1 platform van vakinhoudelijke verenigingen, 2 deskundigen en een onafhankelijke voorzitter) kan eigenlijk ook geen objectiveerbaar standpunt over de structuur worden verwacht.
Op dit punt tekenen zich in het bestuur twee opties af.
In de eerste optie, die wordt voorgestaan door de Algemene Onderwijsbond en de Onderwijsbond CNV, dragen de sociale partners de (bestuurs-)verantwoordelijkheid voor de totstandkoming en het onderhoud van de kwalificatiestructuur. Tot die verantwoordelijkheid behoort ook het betrekken van de beroepsgroep bij de beschrijving van bekwaamheidseisen.
In de tweede optie, die wordt voorgestaan door de overige bestuursleden, draagt het door u beoogde platform de verantwoordelijkheid voor het samenhangend stelsel van onderwijsberoepen en de daarmee verbonden taken, maar dan wel in een zodanige samenstelling dat de gezamenlijke beroepsgroepen de helft van de zetels in het platform bezetten, terwijl de andere helft wordt bezet door deskundigen vanuit het werkgevers- en opleidingsperspectief. Het opstellen van de bekwaamheidseisen per onderwijsberoep zal de taak zijn van de desbetreffende beroepsgroepen.
Wij hopen hiermee een bijdrage aan de beleidsvorming te hebben geleverd en zijn daarbij graag verder betrokken.

Met vriendelijke groet,
Namens het bestuur van SBL:
drs. A.M.E. Kil-Albersen, voorzitter
prof. dr. J.J.H. van den Akker
mr. H.K. Evers, Onderwijsbond CMHF/MHP
E.W. de Jong, Onderwijsbond CNV
drs. R.W.H. de Koning, Algemene Onderwijsbond
prof. dr. L. Stevens
dr. M. Vernooy-Gerritsen, Platform VVVO

Gebruik van grafische rekenmachine bij het examen

Datum: 12 juni 2002
Betreft: gebruik van grafische rekenmachine bij het examen

Geachte mevrouw Adelmund,
Tegelijk met de invoering van de tweede fase heeft de grafische rekenmachine zijn intrede gedaan in het voortgezet onderwijs.
Zoals altijd heeft zo’n nieuwe ontwikkeling voor- en tegenstanders. De voorstanders waren tevreden en lieten niets van zich horen. Een aantal tegenstanders heeft brieven geschreven waarin zij hun bezwaren onder woorden brachten. De CEVO heeft daar toen op gereageerd door de grafische rekenmachine voor een aantal vakken te verbieden. Vanaf dat moment zijn vele andere brieven geschreven.
De VVVO denkt dat de herijking van de tweede fase een mooi moment is om de situatie rond de grafische rekenmachine nog eens goed te bezien. De huidige situatie, waarin leerlingen bij het ene vak de grafische rekenmachine moeten gebruiken en dat bij het andere vak juist niet mogen, is niet ideaal. Een belangrijk voordeel van het gebruik van de grafische rekenmachine is dat een aantal stappen tegelijk op het beeldscherm staat. Leerlingen wennen daaraan, net als aan de manier van invoeren van gegevens. Als ze bij examens van sommige vakken deze machine niet mogen gebruiken en weer met een gewone rekenmachine moeten werken geeft dat niet zelden problemen.
Wij stellen voor in overleg met de CEVO, de vaksecties van de CEVO en de vakverenigingen per vak te bekijken of de grafische rekenmachine gebruikt moet of mag worden. Tevens zou in dat overleg duidelijk moeten worden of er gegevens in het geheugen van de machine mogen worden opgeslagen. Als de besluiten hieromtrent vroeg genoeg genomen worden kunnen de examenmakers op tijd inspelen op de nieuwe situatie zodat na de herijking op dit punt geen problemen zullen ontstaan.
Wij hopen op korte termijn te vernemen hoe u staat tegenover dit iniatief.
i.a.a. Leden van de VKC OCenW, Tweede kamer

    Monitoring invoering leerwegen vmbo

    Datum: 12 juni 2002
    Betreft: monitoring invoering leerwegen vmbo

    Geachte mevrouw Adelmund,
    Per 1 augustus 2001 zijn de leerwegen in het vmbo gestart. Een niet geringe operatie voor docenten, vaksecties en schoolorganisaties. Het is van groot belang om deze operatie op de voet te volgen om te kijken of alles goed verloopt en zo niet, of er bijstellingen nodig zijn.
    Het is de monitoring, Start van de leerwegen in het vmbo, uitgevoerd door het SCO-Kohnstamm Instituut, waarover het Platform van Vakinhoudelijke Verenigingen Voortgezet Onderwijs (VVVO) zich zorgen maakt.
    Waar de monitoring van de tweede fase havo/vwo een goed beeld geeft van zwaarte van programma’s voor docenten en leerlingen, organisatorische problemen en procedurele problemen zoals PTA’s en examendossiers, ontbreekt een vergelijkbare meting van de gang van zaken in het vmbo.
    SCO-Kohnstamm werkt nogal cijfermatig, geeft percentages etcetera. Het cijfermateriaal komt voornamelijk uit enquêtes onder schoolleiders. Een goede begin, maar hiermee is nog niet situatie op de ‘werkvloer’ gemeten. Dit verontrust ons, omdat uit onze achterban nogal eens andere geluiden komen dan de cijfers van het rapport aangeven.
    Vanuit het Platform is al jaren met klem gewezen op het feit dat in vergelijking met de grote monitoringsactiviteiten rond de invoering van de tweede fase havo/vwo op zijn minst een gelijke ondersteuning voor de vmbo-leerwegen implementatie meer dan gewenst en noodzakelijk is. De grote groep vmbo-leerlingen en docenten verdient een goede begeleiding.
    Wij dringen er op aan dat het traject van monitoring aangaande de grote vmbo-leerwegenoperatie met even veel ondersteuning vanuit uw ministerie aangestuurd wordt. Als Platform VVVO worden wij graag betrokken in vervolgactiviteiten om de beoogde veranderingen zo positief mogelijk uit te werken voor collega’s en leerlingen.
    In afschrift aan:
    Leden van de Vaste Kamercommissie OCenW, Tweede kamer
    dr. L.S.J.M.Henkens, Directeur VO, Ministerie OCenW