Nieuwsberichten

Persbericht: Tweede correctie is gekkenwerk geworden

Datum: 29 mei 2009
Betreft: de tweede correctie centrale examens

Sommige leraren in het voortgezet onderwijs krijgen de correctie van het examenwerk niet op tijd af zonder daar in weekenden, tijdens feestdagen en soms halve nachten aan te werken.

Vorig jaar heeft de Tweede Kamer besloten dat de tweede correctie van het examenwerk integraal dient plaats te vinden. Daartegen is toen geprotesteerd door organisaties van vakdocenten en het Platform van vakverenigingen in het voortgezet onderwijs.Veel docenten keken het werk steekproefsgewijs na, omdat de tijd voor integrale correctie niet toereikend was. Bij navraag onder leden van de vakverenigingen bleek dat veel docenten gemiddeld 45 tot 60 minuten correctietijd per leerling nodig hebben. Een integrale tweede correctie zorgt voor een verdubbeling van de correctietijd.

Het Platform VVO heeft de afgelopen maanden herhaaldelijk bij overheid en bij de organisatie van schoolleiders erop aangedrongen dat er in de taakbelasting van docenten op transparante wijze rekening zou worden gehouden met de toegenomen werkdruk door de integrale tweede correctie. Op dit dringende verzoek is geen reactie gekomen.

Nu we midden in de examenperiode zitten, blijkt dat het voor docenten fysiek onmogelijk is geworden om te voldoen aan de wensen van de overheid. “Het correctiewerk is gekkenwerk geworden”, zegt René van de Kraats, voorzitter van het Platform van vakdocenten.

“Neem nu de leraar aardrijkskunde die op 26 mei het examenwerk van 25 leerlingen havo mee naar huis neemt. Zijn leerlingen schrijven gemiddeld zes kantjes vol. Met een correctietijd van ongeveer veertig minuten per werkstuk is dat in totaal zo’n zestien klokuren. Op 28 mei komt vervolgens het werk van 45 leerlingen vwo, die minstens net zoveel schrijven. Met een correctietijd van ongeveer 45 minuten per werkstuk komt dit op ongeveer 34 klokuren. Dit werk moet allemaal uiterlijk 10 juni aanwezig zijn op de school van de leraar die de tweede correctie doet. Op diezelfde dag krijgt hij zelf een pakket tweede correctie van een collega binnen, ongeveer hetzelfde aantal, dus opnieuw rond 25 werkstukken havo en rond 45 werkstukken vwo. Dat pakket moet uiterlijk 15 juni worden verzonden.
Alles bij elkaar 14 werkdagen voor 100 uur correctie, dat is gemiddeld ruim 7 uur per dag, naast werkzaamheden als lessen, vergaderingen en surveillance. En dan gaan we ervan uit dat de tweede correctie goed op tijd binnen is en geen problemen oplevert. Dit jaar moet ook nog eens het bevoegd gezag erbij betrokken worden, als docenten het onderling niet eens worden. En dat dit ook weer de nodige tijd gaat kosten, zal duidelijk zijn.”

Van de Kraats geeft nog een ander voorbeeld. “De leraar maatschappijwetenschappen die op 28 mei het werk binnen krijgt van 38 havo-kandidaten en op 3 juni het werk van 20 vwo-kandidaten. Met ongeveer hetzelfde aantal werkstukken als tweede correctie heeft deze docent een totale correctielast van meer dan 80 uur in twaalf werkdagen. Daarnaast moet ook hij gewoon les blijven geven. Het wegvallen van negen lesuren in de examenklassen biedt weinig soelaas”.

Hoewel het Platform van vakdocenten in het voortgezet onderwijs een jaar geleden vond dat de steekproefsgewijze correctie in de gegeven omstandigheden de beste oplossing is, heeft het toen laten weten het besluit van de Tweede Kamer te respecteren. Nu blijkt dat vakdocenten alleen ten koste van hun eigen vrije tijd en nachtrust hieraan kunnen voldoen, vindt het Platform dat het tijd wordt dat de overheid en schoolleiders zich opnieuw bezinnen op de organisatie van de tweede correctie. Een steekproefsgewijze correctie is volgens het Platform in de gegeven situatie nog steeds de beste oplossing. Als de overheid aan een integrale tweede correctie wil vasthouden, zal de tijd moeten worden verruimd waarin het werk gecorrigeerd moet worden en zal de tijd die de docenten erin steken, zichtbaar en geoormerkt in de taakbelasting van de betrokken docenten opgenomen moeten worden.
“Er zijn ons schoolreglementen bekend waarin staat dat de tweede correctie in één dag afgewikkeld moet worden. Het wordt tijd dat de inspectie daar eens naar kijkt”, aldus Van de Kraats

Educatieve minor

Geachte mevrouw Van Bijsterveldt,

In uw brief aan de voorzitter van de Tweede Kamer d.d. 20 maart 2009 bericht u  over de ontwikkeling en invoering van de educatieve minor in vakbacheloropleidingen in het wetenschappelijk onderwijs.
U maakt duidelijk dat u in de gegeven economische omstandigheden op zo kort mogelijke termijn voortvarendheid wilt betrachten om ervoor te zorgen dat er veel meer academisch opgeleide docenten in het voorgezet onderwijs voor de klas komen te staan.

Wij hebben u in een eerder schrijven gewezen op het groeiende aantal onbevoegden dat in de onderbouw in het voortgezet werkzaam is en op de problemen die dat met zich meebrengt voor bevoegde docenten, ook in het eerstegraads gebied. Op ons verzoek is daarnaar een onderzoek verricht waarvan wij de uitkomsten als rapport onder de titel ‘Onbevoegd lesgeven: een noodoplossing’ aan uw ministerie toegezonden en als petitie aan de Kamercommissie voor Onderwijs aangeboden hebben.
Wij zijn dan ook blij met uw daadkracht en voortvarendheid om ervoor te zorgen dat er meer academisch bevoegde docenten in het onderwijs aan de slag gaan.

Toch willen wij u deelgenoot maken van de zorgen die uw plannen met de ontwikkeling van een educatieve minor bij vakinhoudelijke verenigingen oproepen. Wij vragen ons daarbij af of u met deze plannen het lofwaardige doel bereikt dat u voor ogen heeft.

Onze zorgen betreffen de volgende punten. De meeste studenten die een universitaire studie in een schoolvak beginnen, doen dat uit belangstelling voor de inhoud van het vak. Belangstelling voor het leraarschap ontstaat doorgaans pas in de loop van de studie, zoals de Amsterdamse hoogleraar Bouter in zijn ‘Pleidooi tegen een universitaire opleiding tot tweedegraads docent’ terecht opmerkt. Het creëren van een tweedegraads bevoegdheid zal daarom niet leiden tot een grotere instroom van studenten. Van de universitaire studenten die uiteindelijk kiezen voor het vak van leraar zal in de nieuwe plannen een deel slechts een tweedegraads bevoegdheid halen, waardoor het totale aantal eerstegraads bevoegde leraren alleen maar zal afnemen.

Uw inzet is dat de aldus opgeleide bachelors door de universiteit en door hun school voor voortgezet onderwijs wordt gestimuleerd om aansluitend door te stromen naar een masteropleiding waar ze een onderwijsbevoegdheid behalen voor het voorbereidend hoger onderwijs (VHO).  Dat moeten ze dan doen, terwijl ze een baan in het tweedegraads gebied hebben. Dat betekent dat ze de educatieve master in deeltijd moeten verrichten, waardoor ze met veel inspanning hun studie moeten zien af te ronden.De kans is groot dat dat niet lukt, ook al zal deze master slechts anderhalf jaar hoeven te duren voor deze studenten.

Ze krijgen namelijk een vrijstelling van een half jaar voor pedagogische en didactische vorming op grond van de educatieve minor die ze in de bacheloropleiding hebben gevolgd. Dit betekent dat zij als eerstegraads docent een half jaar minder vakinhoudelijke opleiding hebben gehad dan hun collega’s die het gebruikelijke bachelor-mastertraject hebben doorlopen. We zijn het met prof. Bouter in zijn eerdergenoemde pleidooi eens dat dit een daling van het academisch gehalte met zich meebrengt.

In uw plannen kan deze educatieve minor ook worden aangeboden door universiteiten die geen traditie van een universitaire lerarenopleiding kennen. We maken ons grote zorgen over de pedagogische en didactische kwaliteiten van de studenten die deze universitaire opleidingen zullen afleveren.
Het is voor ons ook zeer de vraag of de studenten die de educatieve minor gaan volgen en van wie de meesten een voorgeschiedenis in havo/vwo hebben, wel genoeg affiniteit zullen hebben met de problematiek waarmee de docent in het vmbo-tl te maken heeft. Juist door het ontbreken daarvan, zou de kans dat studenten in deze fase gaan afzien van een loopbaan in het onderwijs, kunnen toenemen.

Ons laatste punt van bezorgdheid betreft de docenten in de scholen die met deze nieuwe ontwikkeling geconfronteerd gaan worden.
Terecht stelt u dat een educatieve minor in samenspel tussen universiteit en school ontwikkeld moet worden om aan de voorwaarde te kunnen voldoen dat de op te leiden docenten over de vereiste kwaliteit gaan beschikken. Ook voor de doorstroming naar een bevoegdheid voor het eerstegraads gebied vindt u een goede begeleiding op de scholen een eerste vereiste. Uw voorkeur gaat daarbij uit naar (erkende) opleidingsscholen.
Dit alles betekent dat er voor de begeleidende docenten een taakverzwaring optreedt. Naar wij begrepen hebben heeft u voor het opleiden in de scholen extra middelen vrijgemaakt. Wij zouden er op willen aandringen dat er goed gecontroleerd wordt of deze gelden ook gebruikt gaan worden waarvoor ze bestemd zijn: een taakverlichting van de docenten die hiermee belast zijn.

Wij hadden u deze zorgen eerder kenbaar kunnen maken, als u de vakinhoudelijke verenigingen bij uw vooroverleg had betrokken. Ondanks de wens van de Commissie-Dijsselbloem om de docenten en hun vakinhoudelijke verenigingen meer bij vernieuwingen in het onderwijs te betrekken dan in het verleden is gebeurd, is daaraan in deze kwestie opnieuw geen gehoor gegeven.
Uit uw brief blijkt dat u wel overleg heeft gehad met de vakbonden, VSNU en de VO-raad. Zo schrijft u dat de vakbonden, maar zij niet alleen, er nog niet van overtuigd zijn dat een vakbacheloropleiding die een educatieve minor van 30 ECTS omvat, voldoende basis biedt om les te kunnen geven in de onderbouw van havo/vwo en in de theoretische leerweg van het vmbo. En u schrijft ook dat u nog overleg heeft met VSNU en de VO-raad over vakinhoudelijke aansluiting.
Zoals u begrepen heb,t onderschrijven wij vanuit vakinhoudelijk standpunt de mening van de vakbonden. Wij hopen dat over vakinhoudelijke aansluiting ook met vakdocenten en hun vertegenwoordigers in gesprek zult gaan.

Met vriendelijke groet,
namens het bestuur van Platform VVVO

G. van Driel,
Vice-voorzitter

Brief aan minister Plasterk inzake Stichting van het Onderwijs

Volgens de slotalinea van uw brief zou ongeveer nu, namelijk begin 2009, de oprichtingsbijeenkomst plaatsvinden. Daarmee zou een start gemaakt worden met een jaarlijks overleg tussen kabinet en sociale partners over de verbinding tussen onderwijs en sociaal-economische vraagstukken.

In uw Actieplan Leerkracht schrijft u dat u bij een dergelijke Stichting denkt aan ‘een platform waar sectoroverstijgende onderwerpen aan bod komen’. U geeft dan als voorbeelden ‘de aansluitingsproblematiek in het onderwijs, de doorlopende leerlijnen en de wisselwerking van het onderwijsveld met maatschappelijke partners’. Onmiddellijk daarna voegt u daaraan toe:’Het is van belang dat leraren en de beroepsvereniging van leraren nauw bij deze gesprekken betrokken worden’ (p.17 Actieplan Leerkracht).

Het Platform van Vakinhoudelijke Verenigingen in het Voorgezet Onderwijs (Platform VVVO) vertegenwoordigt de vakinhoudelijke verenigingen en is daarmee dé beroepsvereniging van vakdocenten in het voortgezet onderwijs. Wij vinden het vreemd dat wij tot op heden nog steeds niets gehoord hebben van de oprichters van deze Stichting over onze betrokkenheid bij de te voeren gesprekken, zoals u die als wenselijk beschrijft in uw Actieplan.

Na de activiteiten van de commissie-Rinnooy Kan en de commissie-Dijsselbloem heeft u nadrukkelijk gesteld dat u het met de conclusie van deze commissies eens bent dat de positie van de leraar moet worden versterkt. Het lijkt ons derhalve vanzelfsprekend dat het Platform als de beroepsvereniging van vakdocenten in het voortgezet onderwijs betrokken wordt bij gesprekken in de Stichting van het Onderwijs i.o. over zaken als aansluitingsproblematiek en doorlopende leerlijnen.

Graag vernemen wij van u waarom wij tot op heden niets over onze positie hierbij vernomen hebben. Wij zouden ook graag van u horen op welke wijze de vakdocenten, verenigd in het Platform VVVO, een plek krijgen in deze Stichting.

Met vriendelijke groet,

René van de Kraats
voorzitter Platform VVVO

Tijd nodig voor integrale tweede correctie

Datum: 23 oktober 2008
Betreft: Tijd nodig voor integrale tweede correctie

Tijd nodig voor integrale tweede correctie

De Vaste Kamercommissie voor onderwijs heeft zich in mei 2008 uitgesproken voor handhaving van een integrale tweede correctie van de centrale examens in het voortgezet onderwijs, d.w.z. dat de tweede corrector alle werken nakijkt en per leerling het volledige examenwerk. Verder is besloten dat een handtekening van het bevoegd gezag op het formulier van de tweede corrector vereist is.
Aanleiding hiertoe was de vaststelling van de Inspectie dat de tweede correctie niet altijd naar behoren wordt uitgevoerd. Lang niet alle tweede correctoren (docenten) komen volgens de Inspectie toe aan het grondig nakijken van het examenwerk. Velen zien zich gedwongen tot een steekproefsgewijze controle.
Een dergelijke, steekproefsgewijze aanpak valt volgens het Platform van Vakinhoudelijke Verenigingen in het Voorgezet Onderwijs goed te begrijpen, niet zozeer omdat de financiele vergoeding die de overheid hiervoor aan scholen ter beschikking stelt, beperkt is, maar vooral omdat de tijdsfactor hierbij een belangrijke rol speelt. De tijdsspanne waarin het examenwerk van de eigen school nagekeken en de tweede correctie verricht moet worden, is te kort.
Het zal duidelijk zijn dat deze integrale tweede correctie gevolgen heeft voor de taakbelasting van de docenten die lesgeven in examenklassen. Dat is de reden waarom het Platform VVVO in zijn vergadering van 5 juni jl. besloten heeft de gevolgen van het besluit van 20 mei in kaart te brengen. De aangesloten vakverenigingen is gevraagd vast te stellen wat de gemiddelde eerste correctietijd is per vak per leerling per onderwijstype (vmbo-tl, havo en vwo). We gaan ervan uit dat vrijwel een zelfde hoeveelheid nodig zal zijn voor een integrale tweede correctie. Vrijwel alle Platformleden hebben dit gepeild bij hun achterban en ons de verzamelde gegevens toegestuurd.
Dat heeft geleid tot het overzicht dat u in de bijlage bij deze brief aantreft. Hierdoor voelt het Platform zich gesterkt in zijn opvatting dat scholen deze gegevens optisch zichtbaar en geoormerkt moeten verwerken in de taakbelasting van de betrokken docenten. Alleen dan kan zichtbaar gemaakt worden welke tijdsinvesteringen van een docent in alle redelijkheid binnen de eindexamenprocedures kunnen worden verwacht.
Wij vragen daarom van het ministerie van OC&W, de onderwijsbonden en de VO-Raad dat zij deze actie van het Platform in hun contacten met de scholen ondersteunen.
Wij vragen bovendien aan alle betrokkenen om ervoor te zorgen dat de periode waarin het examenwerk nagekeken moet worden, verlengd wordt zodat docenten met examenklassen over voldoende tijd kunnen gaan beschikken voor een integrale tweede correctie. Daarnaast zou de examenperiode enigszins verlengd kunnen worden om zo extra tijd voor de tweede correctie te creeren.
Reacties van de vakinhoudelijke verenigingen: gemiddelde correctietijd per kandidaat:

KNAG
Vwo-aardrijkskunde: 45 minuten
Havo-aardrijkskunde: 40 minuten
Vmbo-tl-aardrijkskunde: 35 minuten
VCN
45 minuten voor de eerste tien kandidaten, 30 minuten voor de volgenden.

NBDK
50 minuten per kandidaat
VDLG
Geen centraal examen voor godsdienst/levensbeschouwing

NVLM
Vwo-maatschappijleer: 45 minuten
Havo-maatschappijleer: 42 minuten
Vmbo-tl-maatschappijleer: 12 minuten
VECON
Vwo economie 12 30 – 35 minuten
m&o 25 – 30 minuten
Havo economie 12 25 – 30 minuten
m&o 20 – 25 minuten
VMBO-t economie 15 minuten

NVON
Vwo-natuurkunde: 60 minuten
Vwo-scheikunde: 40 minuten
Vwo-biologie: 62 minuten
Havo-natuurkunde: 45 minuten
Havo-scheikunde: 28 minuten
Havo-biologie: 35 minuten
VFVO
Vwo-filosofie 50 minuten
Havo-filosofie: 30 minuten

NVTO en VLBV
Vwo-kunst algemeen (CKV-2): 61 minuten
Vwo-tehatex: 46 minuten
Havo-kunst algemeen (CKV-2): 59 minuten
Havo-tehatex: 55 minuten
Vmbo-tl-tehatex: 53 minuten
VGN
Vwo-geschiedenis: 60 minuten
Havo-geschiedenis: 45 minuten
Vmbo-geschiedenis (tl, gl, kbl): 25 minuten

NVvW
De schoolsoort (vmbo, havo, vwo) en de wiskundesoort (a, b) maken weinig verschil.
Bij de tweede correctie door een ervaren docent: 20 minuten per leerling
Bij de correctie door een docent met minder ervaring: 30 tot 35 minuten.
VLS
Vwo-ckv2: 61 minuten
Vwo-muziek: 60 minuten
Havo-kunst algemeen (voorheen ckv-2): 59 minuten
Havo-muziek: 59 minuten
Vmbo-tl-muziek: 51 minutenVwo-geschiedenis: 60 minuten

Havo-geschiedenis: 45 minuten

Vmbo-geschiedenis (tl, gl, kbl): 25 minuten

Aan:   de VO-raad, Vaste Kamercommissie voor Onderwijs, het Ministerie van OCW
En aan:  en de overlegpartners van het beraad over de tweede correctie.

Wetsvoorstel College voor Examens

Datum: 14 september 2008
Betreft: wetsvoorstel College voor Examens

Geachte leden van de Vaste Kamercommissie van OCW
Op 4 september 2008 heeft de onderwijscommissie van Uw Kamer besloten om het wetsvoorstel inzake het College voor Examens (31 411) aan te melden voor plenaire behandeling. Het is de vakinhoudelijke verenigingen in het voortgezet onderwijs bekend dat dit niet betekent dat U zich heeft verbonden aan een klakkeloze instemming met dit wetsvoorstel en het lijkt ons een goede zaak als U dat ook niet doet.
De vakinhoudelijke verenigingen vertegenwoordigen tienduizenden vakdocenten in het voortgezet onderwijs en dezen voelen een grote betrokkenheid bij de examinering in het voortgezet onderwijs. Wij zijn echter hoogst ongelukkig met de wijze waarop de staatssecretaris in haar nota naar aanleiding van het verslag een positie van de vakinhoudelijke verenigingen in het College voor Examens afwijst terwijl de personeelsvakorganisaties wel met een vertegenwoordiger gaan participeren in dit college. Weliswaar dragen de vakinhoudelijke verenigingen docenten voor in alle vaksecties voor de examenopgaven en terecht blijft dat ook zo, maar ook op dat lagere niveau spelen de personeelsvakorganisaties al een rol zonder dat dit zich altijd vertaalt in een voldoende vakinhoudelijke betrokkenheid bij de kwaliteit van de examinering.
De Onderwijsraad heeft juist in haar advies Een onafhankelijk College voor examens erop gewezen dat de personeelsvakorganisaties inhoudelijk veel minder zijn betrokken bij de examinering dan de vakinhoudelijke verenigingen. Wat dreigt is dat men nu met dit wetsvoorstel bij de examinering vervalt in de oude fout dat telkens wordt besloten op basis van een vermeend draagvlak. Juist de parlementaire onderzoekscommissie Dijsselbloem heeft afgelopen jaar indringend gewaarschuwd voor het falend onderwijsbeleid waartoe dit leidt.
Daarom verzoeken wij U bij Uw inbreng in het plenaire debat nadrukkelijk aandacht te besteden aan het onlogische karakter van de keuze van organisaties die de staatssecretaris in het College voor Examens een positie wil geven. Institutionalisering van vermeend draagvlak zal het onderwijs eerder schaden dan verbeteren.

Brieven en Persberichten

Aan: de leden van de Vaste Kamercommissie van OCW
Datum:  14 september 2008
Betreft: het wetsvoorstel inzake het College voor Examens (31 411)

De vakinhoudelijke verenigingen vertegenwoordigen tienduizenden vakdocenten in het voortgezet onderwijs en dezen voelen een grote betrokkenheid bij de examinering in het voortgezet onderwijs. Wij zijn echter hoogst ongelukkig met de wijze waarop de staatssecretaris in haar nota naar aanleiding van het verslag een positie van de vakinhoudelijke verenigingen in het College voor Examens afwijst terwijl de personeelsvakorganisaties wel met een vertegenwoordiger gaan participeren in dit college. Weliswaar dragen de vakinhoudelijke verenigingen docenten voor in alle vaksecties voor de examenopgaven en terecht blijft dat ook zo, maar ook op dat lagere niveau spelen de personeelsvakorganisaties al een rol zonder dat dit zich altijd vertaalt in een voldoende vakinhoudelijke betrokkenheid bij de kwaliteit van de examinering.

De Onderwijsraad heeft juist in haar advies Een onafhankelijk College voor examens erop gewezen dat de personeelsvakorganisaties inhoudelijk veel minder zijn betrokken bij de examinering dan de vakinhoudelijke verenigingen. Wat dreigt is dat men nu met dit wetsvoorstel bij de examinering vervalt in de oude fout dat telkens wordt besloten op basis van een vermeend draagvlak. Juist de parlementaire onderzoekscommissie Dijsselbloem heeft afgelopen jaar indringend gewaarschuwd voor het falend onderwijsbeleid waartoe dit leidt.

Daarom verzoeken wij U bij Uw inbreng in het plenaire debat nadrukkelijk aandacht te besteden aan het onlogische karakter van de keuze van organisaties die de staatssecretaris in het College voor Examens een positie wil geven. Institutionalisering van vermeend draagvlak zal het onderwijs eerder schaden dan verbeteren.

Persbericht: reactie op rapport Dijselbloem

Datum: 16 februari 2008
Betreft: reactie op rapport Dijselbloem
Geachte heer Dijsselbloem

Nu uw commissie haar rapport heeft uitgebracht, wil ik u namens Platform Vakverenigingen Voortgezet Onderwijs bedanken voor de gelegenheid die u ons twee keer geboden heeft om onze visie op het proces van onderwijsvernieuwing de afgelopen decennia te geven.

Wij hebben de zorgvuldigheid waarmee uw commissie zich op de gesprekken met ons had voorbereid en deze heeft gevoerd, op prijs geteld. Onze waardering geldt evenzeer voor de wijze waarop mevoruw De Kler onze komst heeft begeleid en voor de manier waarop ze de gesprekken heeft verslagen.

Onze reactie op de inhoud van uw rapport kunt u in het hierbij ingesloten persbericht lezen.


PERSBERICHT

van: Platform Vakinhoudelijke Verenigingen Voortgezet Onderwijs, 16 februari 2008

VAKDOCENTEN OVER DE COMMISSIE DIJSSELBLOEM

Reactie van het bestuur van het Platform Vakinhoudelijke Verenigingen Voortgezet Onderwijs op het rapport van de Commissie Dijsselboem Tijd voor onderwijs.

Het bestuur van het Platform Vakverenigingen Voortgezet Onderwijs (VVVO) heeft met instemming kennis genomen van de grote lijn van het rapport van de Commissie Dijsselbloem.

Een van onze bezwaren tegen de onderwijsvernieuwingen was dat leraren en hun organisaties soms wel gehoord werden, maar veelal achteraf ter legitimatie van wat al besloten was, zoals ook de Commissie Dijsselbloem constateert. Vaak werden ze niet gehoord of werden hun adviezen terzijde geschoven. Wij hopen dat minister, staatsecretaris en Kamer in de toekomst hieruit de les zullen trekken dat het Platform Vakinhoudelijke Verenigingen Voortgezet Onderwijs voortaan een vaste gesprekspartner zal zijn.

Het Platformbestuur is verheugd dat de Commissie vaststelt dat de kwaliteit van de docenten een van de belangrijkste waarborgen is voor de kwaliteit van het onderwijs.

In het kader van de discussie over de onderwijstijd heeft het Platformbestuur er al bijna een jaar geleden op gewezen dat schoolleiders steeds minder geneigd zijn hun docenten vrij te geven voor noodzakelijke scholing. Het Platformbestuur beschouwt het als een ondersteuning van zijn standpunt dat docenten veel te weinig gelegenheid gekregen hebben en krijgen om zich verder te professionaliseren, als de commissie constateert dat scholing van docenten een van de basisvoorwaarden voor onderwijsvernieuwing is waaraan vaak niet werd en wordt voldaan.

Tijdens de onderwijsvernieuwingen van de afgelopen decennia is elke vakvereniging begrijpelijkerwijs

opgekomen voor het eigen vak. Binnen het Platform zijn de vakverenigingen het evenwel altijd met elkaar eens geweest over de noodzaak van basale vakkennis. Het Platform is dan ook blij dat de Commissie vaststelt dat door middel van het ontwikkelen van leerstandaarden en canonisering van onderwijsinhoud voor iedereen helder moeten zijn wat de leerlingen aan het einde van hun schoolperiode moeten kennen en kunnen. Met de voorgestelde herwaardering van onderwijsinhoud zal, zo verwacht de commissie tot ons genoegen, de positie en de waardering voor de vakdocent weer worden versterkt.

Het Platform heeft zelf al conform de gedachte van de Commissie ertoe bijgedragen dat er een wetenschappelijk onderzoek verricht gaat worden naar onderwijs dat gegeven wordt door docenten die daartoe niet bevoegd zijn.

Het Platformbestuur is blij met de constatering van de Commissie dat voor vernieuwingen van de onderwijsinhoud (examenprogramma’s e.d.) een continu en geleidelijk proces nodig is waarvoor ook zichtbaar en structureel middelen op de begroting moeten worden vrijgemaakt. Het Platform ziet het als een ondersteuning van het werk van de vakverenigingen wanneer de Commissie constateert dat vakdocenten moeten betrokken worden bij de inhoudelijke uitwerking van deze nieuwe onderwijsprogramma’s. Het Platform verwacht daarom dat in de toekomst de vakverenigingen in alle vormen van overleg betrokken worden en dat er in elke commissie vakdocenten vertegenwoordigd zullen zijn.

De Commissie stelt vast dat voor de kwaliteit van het onderwijs in het voorgezet onderwijs de kwaliteit van de lerarenopleidingen cruciaal is. De commissie beveelt daarom aan dat de overheid heldere onderwijsdoelen (vakinhoud en didactiek) en centrale examinering op lerarenopleidingen invoert. Wij spreken de wens uit dat derhalve ook de vakverenigingen als representanten van de vakdocenten mede een rol zullen spelen bij het vaststellen van de vereiste vakinhouden.

Tenslotte hebben wij met instemming gelezen dat de Commissie het als een basisvoorwaarde voor

onderwijsvernieuwing ziet dat deze onder de docenten gedragen wordt. Als vertegenwoordigers van de vakdocenten in het onderwijs willen wij graag een bijdrage leveren aan het dichten van de kloof die er in de afgelopen jaren is ontstaan tussen de politiek en de leraren.

    Beroepsvereniging

    Datum: 14 februari 2008
    Betreft: beroepsvereniging
    Geachte heer Plasterk,

    Bijna twee maanden geleden heeft u met het Actieplan Leerkracht van Nederland uw beleidsreactie gegeven op het advies van de Commissie Leraren onder leiding van de heer Rinnooy Kan.

    De maanden voor het uitkomen van deze beleidsreactie heeft u, naar wij hebben vernomen, diverse personen en instanties geraadpleegd bij het formuleren van uw actieplan, zoals de onderwijsbonden en de organisatie van schoolleiders in het voortgezet onderwijs. Wij hadden verwacht in deze kwestie ook een van uw gesprekspartners te zijn. Wij hopen u in deze brief duidelijk te maken waarom.

    In uw beleidsreactie noemt u in navolging van de Commissie Leraren als belangrijk punt voor de versterking van de beroepsgroep van leerkrachten de oprichting van een Beroepsvereniging Leraren. Deze beroepsvereniging zou voor en door leraren moeten worden opgericht. Een van haar belangrijkste taken zou de instelling van een beroepsregister voor leraren moeten zijn.

    Tot nu toe is de discussie vooral over de arbeidsvoorwaardelijke kant van het beroep gegaan. Heel begrijpelijk, maar het lijkt ons tijd worden dat er over de kwestie van het beroepsregister en de op te richten beroepsvereniging meer duidelijkheid komt. Wij zouden daarom graag met u in gesprek gaan over de volgende punten.

    1. De vakverenigingen zijn op dit moment druk bezig zijn met het invoeren van een beroepsregister. De KVLO heeft al een compleet register ingevoerd voor haar leden, terwijl Levende Talen en een aantal andere vakverenigingen dat op afzienbare termijn zullen doen. We begrijpen daarom niet goed welke rol een op te richten beroepsvereniging hierbij zou kunnen spelen. Wat er ook gaat gebeuren, de vakverenigingen willen in ieder geval zeggenschap houden over de vakinhoudelijke componenten in de registratie-eisen.
    2. Wij hebben in uw actieplan een verwijzing gemist naar deze ontwikkelingen binnen de vakverenigingen om tot een beroepsregister te komen. Wij vragen ons af waarom dat niet gebeurd is. Wij zijn daarom erg benieuwd hoe u tegen deze activiteiten aankijkt.
    3. Wij zouden graag meer van u willen horen over het business-plan om tot de oprichting van een beroepsvereniging te komen en over de vraag hoe de relatie van deze beroepsvereniging tot onze organisaties zou moeten zijn. Wij vragen ons namelijk af of een dergelijke vereniging naast de bestaande organisaties in de sector van het voortgezet onderwijs wel levensvatbaar is. Wij vrezen dat er veel geld en energie gestoken gaat worden in het oprichten van een organisatie waar het onderwijs zelf niet om gevraagd heeft.
    4. Gezien de drukbezochte congressen en studiemiddagen die de vakverenigingen organiseren, de tijdschriften van niveau die ze uitbrengen en de vele adviezen die ze aan instellingen als uw ministerie geven, is het misplaatst om van reactiveren van vakverenigingen te spreken, zoals u in navolging van de Commissie Leraren doet. We zijn wel benieuwd wat u onder het begrip versterken van verenigingen in dit verband verstaat. Als u daarmee bedoelt dat voor bestuurders van (het Platform van) vakinhoudelijke verenigingen dezelfde verlofconstructie zou moeten gelden als voor docenten die actief zijn in een onderwijsbond (het zgn. imperatief verlof), zijn wij het van harte met u eens. Wij pleiten al jaren daarvoor. Uiteraard zijn wij evenmin tegen het versterken van onze organisaties in andere opzichten, maar wij zouden graag weten wat u zich daarbij voorstelt.

    Deze week is het rapport uitgekomen van de Commissie-Dijsselbloem. Wij hebben tijdens een hoorzitting van deze commissie duidelijk kunnen maken dat een van de grote fouten die bij onderwijsvernieuwingen in het verleden zijn gemaakt, het feit is dat leraren en hun organisaties soms wel gehoord werden, maar veelal achteraf ter legitimatie van wat al besloten was. Vaak werden ze niet gehoord of werden hun adviezen terzijde geschoven.

    Gezien het bovenstaande verwachten we dat u een les uit dit verleden trekt en ons uitnodigt voor een gesprek om op die manier ook de vakverenigingen actief bij uw actieplan te betrekken.

    Onderwijstijd en Nascholing

    Datum: 9 januari 2008
    Betreft: Onderwijstijd en Nascholing

    Geachte mevrouw van Bijsterveldt-Vliegenthart,

    In april 2007 stuurde het Platform VVVO u een brief over de zorg van het Platform over de strakke handhaving van de onderwijstijd en de gevolgen daarvan voor de mogelijkheid van scholing door leraren. Tot onze spijt heeft het Platform nog geen inhoudelijk antwoord ontvangen.

    Het Platform heeft inmiddels geconstateerd dat de bezorgdheid bewaarheid wordt. Het komt regelmatig voor dat leraren geen toestemming krijgen voor het bijwonen van een nascholingsbijeenkomst, zelfs niet als zij uitgenodigd zijn daar een workshop of lezing te verzorgen. Het argument is dan dat er lessen vervallen en dat de school een probleem krijgt met het vullen van de onderwijstijd.

    Van de Inspectie voor het Onderwijs heeft het Platform begrepen dat het niet de bedoeling is dat nascholing van leraren lijdt onder het handhaven van de onderwijstijd. Ook de VO-raad geeft aan dat nascholing en professionalisering van docenten moet blijven plaatsvinden.
    We hopen dat ook u van mening bent dat handhaving van onderwijstijd niet mag leiden tot inperking van professionaliteit van leraren.

    Het Platform wil graag dat er duidelijkheid komt , voor schoolleiders en voor leraren, welke ruimte mogelijk is. Docenten komen zelf vaak al met oplossingen om lesuitval zoveel mogelijk te beperken. Enkele mogelijkheden zijn de volgende:

    1. De leraar maakt een speciale opdracht (bijvoorbeeld via de Elektronische Leeromgeving, de ELO) en de leerlingen werken daaraan onder toezicht.
    2. De leraar verschuift (voor zover mogelijk) lessen naar een ander moment en geeft overige klassen een speciale opdracht, die zij onder toezicht maken.
    3. De leerlingen werken onder toezicht volgens de studieplanner.
    4. De leerlingen werken volgens de studieplanner en de leraar controleert de volgende les of het werk in orde is.
    5. De leerlingen krijgen een speciale opdracht (bijvoorbeeld via de ELO) en de leraar controleert de volgende les of het werk in orde is.
    6. De leerlingen krijgen een toets tijdens les die anders zou zijn uitgevallen.

    Het Platform is van mening dat bovenstaande mogelijkheden kunnen worden gerekend tot de reguliere onderwijstijd. Wij willen u vragen of u het hierover met het Platform eens bent.

    Docenten hebben recht op scholing, maar scholing kan niet uitsluitend in de avonden, weekeinden of vakanties plaatsvinden.
    Het lijkt ons goed als een leraar gemiddeld acht dagdelen per jaar zijn lestaak kan inruilen voor scholing als er voor wordt gezorgd dat lesuitval tot een minimum wordt beperkt, zoals in bovenstaande voorbeelden. Dit zou betekenen dat vakinhoudelijke, pedagogisch/didactische en algemene scholing (hoe leergebieden in te richten, hoe zet je samenwerking met andere vakken op, hoe organiseer je de nieuwe Tweede Fase etc.) en examenbesprekingen gevolgd kunnen worden.

    Deze brief heeft als doel om op korte termijn goede mogelijkheden te scheppen voor de professionalisering van leraren.
    We geven met deze brief ook aan dat we een te strikte handhaving van de onderwijstijd geen goede zaak vinden. De ruimte die u in december heeft geboden geeft echter nog geen oplossing voor het scholingsprobleem; hiervoor zijn andere maatregelen nodig.

    Wij hopen op een spoedige reactie, waarin u aangeeft wat uw standpunt is met betrekking tot professionalisering van leraren in relatie tot onderwijstijd.
    Ook hopen wij dat u duidelijk wilt maken dat bovengenoemde invulling van lestijd gerekend mag worden tot de reguliere onderwijstijd.
    Leraren willen graag aan de slag met hun professionalisering. Goede professionele leraren komen de kwaliteit van het onderwijs alleen maar ten goede.

    Persbericht: reactie op het rapport Rinnooy Kan

    Datum: september 2007
    Betreft: Rapport Rinnooy Kan

    Reactie van het Bestuur van het Platform van Vakverenigingen in het Voortgezet Onderwijs op het rapport van de Commissie-Rinnooy Kan

    Het bestuur van het Platform van Vakverenigingen is blij dat in het rapport van de Commissie-Rinnooy Kan het probleem van het kwantitatieve tekort aan kwalitatief goede leraren aan de orde wordt gesteld.
    Van grote betekenis vindt het bestuur dat de commissie bij het zoeken naar een oplossing van dit probleem het sturingsfocus naar de leraar zelf heeft verlegd, zoals de Commissie het formuleert.
    Het is ook onder de indruk van het vele werk dat de Commissie verzet heeft om tot een goede analyse van de huidige situatie en de voorgeschiedenis ervan te komen.

    Een betere beloning
    Het deelt de visie van de commissie dat de beloningsverschillen van leraren ten opzichte van hoogopgeleide functionarissen in andere sectoren moeten worden ingelopen. Het vindt ook dat voor een kwalitatieve verbetering van het leraarschap leraren primair op grond van hun opleidingsniveau ingeschaald worden. Met name voor de kwaliteit van het voortgezet onderwijs is het noodzakelijk dat academisch geschoolden op deze wijze gestimuleerd worden om voor de klas te gaan staan.

    Een sterker beroep
    Het bestuur is het uiteraard geheel eens met de gedachte dat docenten belang hebben bij een sterke organisatie van hun beroepsgroep. Het is het uitgangspunt geweest voor de oprichting van het Platform tien jaar geleden. Bij de voorstellen die de Commissie hierover doet, hebben wij evenwel de nodige kanttekeningen te maken.

    De bezwaren van het bestuur komen kort gezegd erop neer dat de commissie miskent dat de vakverenigingen al decennia lang een belangrijke bijdrage hebben geleverd aan de verbetering van de kwaliteit van het onderwijs. Hun leden hebben zich al die jaren vrijwillig ingespannen voor de vakinhoudelijke en vakdidactische verbetering van het onderwijs. In dat opzicht vormen zij de voorhoede binnen hun beroepsveld. Zij hebben ervoor gezorgd dat deze vakverenigingen zich tot sterke organisaties ontwikkeld hebben. Het zijn de vakverenigingen die al jaren opkomen voor de belangen van de docenten, vooral als deze in een kwalitatief goede uitoefening van hun vak worden bedreigd. Juist in deze vakverenigingen ligt het sturingsfocus bij de docenten zelf. Zo is een aantal van deze vakverenigingen de laatste twee jaar druk bezig een beroepsregister voor hun leden te ontwikkelen.

    Het verbaast het Platformbestuur dan ook dat deze vakverenigingen in het rapport van de commissie Rinnooy Kan een rol toebedeeld krijgen die geen recht doet aan hun positie in het huidige onderwijsveld. Het is tot daar aan toe dat ze consequent aangeduid worden met beroepsverenigingen, alsof het woord vak en de daarmee verbonden vakkennis een belast begrip is voor de Commissie. Maar het gaat te ver als de commissie stelt dat deze verenigingen geactiveerd of gereactiveerd dienen te worden (zie p. 55 van Leerkracht), onder de paraplu van de Stichting Beroepskwaliteit Leraren.

    De Commissie stelt voor om deze Stichting Beroepskwaliteit Leraren om te vormen tot de beroepsvereniging van leraren, onder de naam Beroepsgroep Leraren, waarvan alle docenten die bevoegd zijn, lid kunnen worden om een beroepsregister te kunnen aanleggen en te onderhouden. Dat beroepsregister moeten ze aanleggen en onderhouden, willen ze hun bevoegdheid behouden om les te kunnen geven. In feite worden docenten op deze wijze gedwongen lid te worden van een beroepsvereniging waarnaar door hen zelf helemaal niet gevraagd is en die hun door de overheid op deze wijze als het ware wordt opgelegd.

    De Stichting Beroepswaliteit Leraren, waarvan twee bestuursleden deel uitmaakten van de Commissie, is een stichting, geen vereniging. De naam SBL is vooral bekend in combinatie met de zeven beroepscompetenties. De door de overheid gesubsidieerde Stichting is geen vereniging zoals de 25 vakverenigingen die samen 38.000 vakdocenten vertegenwoordigen.
    Het Platform VVVO verenigt deze vakverenigingen en behartigt de vakoverstijgende belangen van de docenten. In de tien jaar dat het Platform bestaat, heeft het zich – in tegenstelling tot wat de Commissie beweert – tot een sterke organisatie ontwikkeld die voor de belangen van de docenten bij overheid en diverse onderwijsorganisaties opkomt. De vakverenigingen zelf behartigen al tientallen jaren de vakspecifieke belangen. Sommige verenigingen vieren binnenkort hun eeuwfeest. Alle docenten zijn vakdocent en kunnen zich bij deze vakverenigingen aansluiten. Docenten kiezen zelf hiervoor, worden daartoe niet gedwongen.

    Het is volgens het bestuur van het Platform VVVO niet nodig dat er een tweede vereniging voor de beroepsgroep komt, waarvan je als docent wel lid moet worden om een beroepsregister aan te leggen dat je moet onderhouden om je bevoegdheid om les te geven niet te verliezen. Dit wekt toch sterk de indruk dat de commissie de overheid een beroepsvereniging en een beroepsregister aan docenten wil laten opleggen, maar het daarbij wil doen voorkomen alsof deze beroepsvereniging en het beroepsregister er door en voor docenten komt. Dat vindt het bestuur toch wel een merkwaardige invulling van het verleggen van het sturingsfocus naar de docenten zelf.
    Het is voor het bestuur onaanvaardbaar dat een door de overheid opgelegde Beroepsgroep Leraren over het nascholingsaanbod van de door de leraren zelf opgerichte vakverenigingen zou kunnen gaan beslissen.

    Het Platformbestuur vreest dat een dergelijk, door de overheid verplicht te stellen lidmaatschap van een tweede beroepsvereniging naast de in het Platform verenigde, door docenten zelf opgerichte en met veel inzet georganiseerde vakverenigingen een uitholling van deze organisaties met zich mee zal brengen en daarmee een verlaging van de kwaliteit van ons vak. We verwachten veel weerstand van vakdocenten tegen een dergelijke constructie die aan het beoogde doel van de Commissie voorbijschiet: de oplossing van het kwantitatieve tekort aan kwalitatief goede leraren.
    Slechts uit de vrijwillige samenwerking van SBL en vakverenigingen kan synergie ontstaan bij de benadering van docenten die geen lid zijn van een vakvereniging.

    Een professionelere school
    Tenslotte deelt het Platformbestuur de mening van de Commissie dat docenten meer betrokken moeten worden bij beslissingen over onderwijs en organisatie. Het is minder optimistisch dan de commissie als het gaat om de vraag of het huidige instrumentarium van de school, medezeggenschap en integraal personeelsbeleid, toereikend is om de invloed van de leraren te versterken, met name als het gaat om de positie van hun vak in de school.
    Het Platformbestuur mist in de analyse van de Commissie aandacht voor de concrete werksituatie van docenten . De vakverenigingen pleiten al jaren voor een verkleining van de taakomvang en klassengrootte en voor vermindering van werkdruk door verdere facilitering. Op de korte termijn zal dat geen bijdrage leveren aan de verkleining van het lerarentekort, maar het kan op den duur wel eens essentieel blijken te zijn voor de verhoging van de kwaliteit van het onderwijs en van de status van het leraarsberoep.