Nieuwsberichten

Tweede fase 1

Datum: 3 januari 2000
Betreft: tweede fase
Geachte mevrouw Adelmund,
Ook het Platform VVVO wil u hierbij een reactie geven op uw voorstel voor voorlopige wijzigingen in de tweede fase van havo en vwo.
Omdat de problemen vaak van de veranderingskracht van de school of docenten afhangen, hebben wij er begrip voor dat er een tussentijdse ingreep plaatsvindt op grond van de overbelasting die thans door veel leerlingen gevoeld lijkt te worden. We hebben evenwel moeite met enige maatregelen die u heeft genomen om tot vermindering van de studielast te komen: vermindering of afschaffing van ANW, facultatief stellen van Frans of Duits dan wel een gedeelte daarvan en herziening van het programma CKV1.
Wanneer we kijken naar de totstandkoming van de profielen, dan is hier sprake geweest van uitvoerig beraad over de invulling ervan: zowel de inhoud van het voor elke leerling verplichte gedeelte, als de inhoud van de profieldelen als die van de vrije ruimte is verschillende malen aan de orde geweest. Dit heeft uiteindelijk geleid tot een invulling die nu bij tenminste een aantal leerlingen tot overbelasting leidt. De pittige studielast van veertig uur per week is immers gebaseerd op de ‘gemiddelde’ leerling.
Het lijkt ons niet verstandig om op dit moment specifieke vakken of vakonderdelen niet meer verplicht te stellen. Ook al zijn de nu genomen maatregelen evident als tijdelijk bestempeld, het geeft te denken dat kennelijk ook zonder deze onderdelen een volwaardige toelating tot het hoger onderwijs is verzekerd. Waarom zou dat dan na deze tijdelijke periode anders zijn?
In plaats van deze specifieke maatregelen geven we daarom de volgende alternatieven in overweging.

1. Om te beginnen stellen we voor om de zak/slaagregeling voor dit cohort leerlingen te verlichten op een zodanige wijze dat voor meer vakken of vakonderdelen een onvoldoende behaald kan worden, zonder dat dit tot afwijzen leidt. In feite sluiten we hierbij aan bij uw voorstel voor de scholen die al een jaar eerder met de vernieuwing begonnen waren. Daarmee wordt voorkomen dat er verschil ontstaat tussen deze scholen en de overige, die thans begonnen zijn.

2. We sluiten aan bij uw voorstel om de opdrachten in aantal te verminderen. Bovendien stellen we voor dat binnen scholen intensief overlegd wordt over de vraag hoe de tijd van leerlingen over de verschillende activiteiten evenwichtiger gespreid kan worden. Het is onze stellige overtuiging dat er veel gewonnen kan worden bij het afwisselen van activiteiten over de vakken heen. Uiteraard is het voor een leerling moeilijk werkbaar om vele werkstukken tegelijkertijd onderhanden te hebben.

3. Bij veel scholen lijkt de uitwerking van het ‘studiehuis’ nu als effect te hebben, dat de contacten tussen docent en leerling verminderen: in plaats van klassikaal onderwijs geven veel docenten nu opdrachten via studiewijzers. Kennelijk is niet voorzien dat er regelmatige gesprekken plaatsvinden; zulke gesprekken zijn noodzakelijk nu er veel minder sprake is van traditionele lessituaties. Voor de motivatie van de leerlingen en ook de docenten zelf lijkt het ons wezenlijk dat er door de scholen toegezien wordt op een zodanige begeleidingsstructuur, dat de leerlingen zich gesteund blijven weten door hun docenten. Overigens geldt hierbij, dat de scholen moeten opereren binnen smalle marges, omdat er in de huidige bekostiging nu eenmaal maar een beperkt aantal contactmomenten per leerling te vergeven zijn.

Het lijkt ons -zoals gezegd- niet juist om vakken of vakonderdelen te schrappen. Dat bemoeilijkt ook het zicht op de uiteindelijke effecten van het programma als geheel. Wel lijkt het ons van groot belang om het hele bovenbouw-programma kritisch te bezien wanneer de eerste generatie scholieren het eerste nieuwe examen achter de rug heeft. Op dat moment kan bijvoorbeeld bezien worden in hoeverre de huidige verdeling in vakken beter vervangen kan worden door een andere indeling van leergebieden, zodat versnippering van aandacht vermeden wordt. Ook kan de inhoud van het gehele pakket nog eens besproken worden met de afnemers (het hoger onderwijs) op gewenste en ongewenste consequenties.
In de toekomst kunnen scholen de leerlingen in de basisvorming beter voorbereiden op de tweede fase en het overgangsbeleid tussen basisvorming en tweede fase aanpassen.
We realiseren ons dat de maatregelen die we voorstellen zullen leiden tot meer overlegmomenten in de school en dus tot een groter beslag op de (schaarse) docententijd. Al eerder hebben we erop gewezen dat innovaties als deze een groot tijdsbeslag zullen vergen van degenen die het moet uitvoeren: de docenten. Een betere tijdsverdeling tussen voorbereiding, overleg en uitvoering van onderwijs dan thans het geval is, lijkt ons dan ook onontbeerlijk.
Tenslotte willen we stilstaan bij de andere grote vernieuwing die nu gestart is: de omzetting van vbo en mavo in vmbo. De gedachte kan nu ontstaan dat deze vernieuwing door dezelfde adhoc-achtige maatregelen getroffen zal worden als nu het geval is voor havo en vwo. Juist in de sector vmbo lijkt het ons zeer noodzakelijk dat de aard en inhoud van de vernieuwingen volstrekt duidelijk blijft en in de volle breedte gerealiseerd wordt.
We blijven bereid om onze bijdragen te leveren aan de beoogde vernieuwingen in het voortgezet onderwijs, indien wij tenminste ook betrokken worden bij besluitvorming over tussentijdse en uiteindelijke wijzigingen in het curriculum.

Basisvorming 1

Datum: 14 december 1999
Betreft: problematiek basisvorming

Geachte mevrouw Adelmund,
Namens de vakinhoudelijke verenigingen in het voortgezet onderwijs maak ik u graag deelgenoot van de volgende overwegingen.
In het Platform Vakinhoudelijke Verenigingen Voortgezet Onderwijs zijn de inspectierapporten over de basisvorming en de aanbevelingen die de inspectie hieraan verbindt, verscheidene malen onderwerp van discussie geweest. Hierbij zijn met name de volgende punten naar voren gekomen: de hoeveelheid door de leerling te volgen uren (32 uur per week), het aantal docenten dat een leerling in de week aantreft in verband met het aantal vakken dat (apart) gedoceerd wordt, de werkdruk van docenten en de relatie met de nieuwe tweede fase. Zowel de tweede fase havo/vwo als de bovenbouw vmbo vereisen een goed doorgevoerde basisvormingsperiode.

We kunnen ons zeer wel vinden in de aanbeveling van de inspectie om het aantal uren per week voor de leerling te verlagen en de vrijkomende tijd in te zetten voor andere activiteiten voor docenten. Hierbij kan gedacht worden aan ruimte voor professionalisering, onderling overleg en het gezamenlijk als school werken aan de daadwerkelijke vernieuwing van het onderwijs.
Dit zet uiteraard het aantal aan te bieden vakken onder druk; bovendien wordt de hoeveelheid docenten voor een leerling in de onderbouw als te veel beschouwd, zeker voor vmbo-leerlingen. In dit verband bevelen wij aan om nog eens goed te kijken naar het totaal van de kerndoelen die een leerling geacht wordt te behalen en van hieruit na te gaan of andere sorteringen dan de huidige vakkenverdeling, de huidige wijzen van roosteren en invulling van vakken mogelijk zijn. Over mogelijke andere indelingen van het curriculum hebben wij vorig jaar een conferentie belegd onder de titel ‘Integratie, combinatie, afstemming of apart?‘ waarvan we u hierbij een verslag toesturen.
Graag zouden de vakverenigingen met u meedenken over de vraag hoe een evenwichtiger opleidingsaanbod in de eerste jaren van het voortgezet onderwijs bereikt kan worden. Hierbij zouden we niet alleen nieuwe vakkenindelingen maar ook nieuwe vakinhouden (met meer afstemming tussen de vakken onderling) en andere mogelijkheden om eenheid over de vakken heen te bereiken, willen verkennen ter voorbereiding op een mogelijke invoering.